De eisen per diploma zijn per onderdeel uitgedrukt in een aantal te zwemmen meters. De verschillen tussen de zwemvaardigheidsdiploma’s bestaan vooral uit de afstand en de vaardigheid.

Hoe de vaardigheid wordt uitgevoerd, staat niet voldoende beschreven in de eisen. Zo is niet te zien hoe een kind de borstcrawl aflegt voor zwemvaardigheidsdiploma 1 en hoe datzelfde kind de borstcrawl moet afleggen voor zwemvaardigheidsdiploma 2.

Om inzicht te geven in de normering voor de diplomasessies is het volgende van belang. Niet de afstand, maar de uitvoering van een beweging bepaalt of een kind mag afzwemmen. Omdat de uitvoering amper omschreven is, vindt u hieronder de belangrijkste kenmerken.

Ook geldt als norm bij het uitnodigen voor het afzwemmen, dat kinderen niet met elkaar vergeleken worden. Het gaat vooral om het totaalbeeld. Met andere woorden, kinderen hoeven niet foutloos te presteren. Er wordt per kind een optimum gezocht, waarin alle sterke en zwakke punten worden meegewogen.

Normering bij de diploma eisen

Hieronder leest u welke vaardigheden een kind moet beheersen voor de verschillende diploma’s.

Zwemvaardigheidsdiploma 1

Schoolslag:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag

Borstcrawl:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag tijdens zelf gekozen ademhalingsritme
  2. Ontspannen armoverhaal

Rugcrawl:

  1. Gelijktijdigheid armslag gedurende minimaal 75 % van de af te leggen afstand
  2. Draaiing arm bovenwater fase (pink erin -duim eruit)

Zwemvaardigheidsdiploma 2

Schoolslag:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag
  2. Beenslag dominantie gedurende de gehele afstand

Borstcrawl:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag tijdens opgelegd ademhalingsritme
  2. Ontspannen armoverhaal
  3. S-beweging onder water fase
  4. Verschillende ademhalingsritmes

Rugcrawl:

  1. Gelijktijdigheid armslag gedurende minimaal 75 % van de af te leggen afstand
  2. Draaiing arm bovenwater fase (pink erin -duim eruit)
  3. S-beweging onder water fase

Zwemvaardigheidsdiploma 3

Schoolslag:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag
  2. Beenslag dominantie gedurende de gehele afstand
  3. Wedstrijdstart (1.5 onderwaterslag)
  4. Keerpunt (2 handen aantikken, 2 voeten afzetten)

Borstcrawl:

  1. Geautomatiseerde koppeling ademhaling-armslag tijdens opgelegd ademhalingsritme
  2. Ontspannen armoverhaal
  3. S-beweging onder water fase
  4. Versnelde S-beweging onder water
  5. Verschillende ademhalingsritmes
  6. Keerpunt volgens Kiefer (koprolkeerpunt)

Rugcrawl:

  1. Gelijktijdigheid armslag gedurende minimaal 75 % van de af te leggen afstand
  2. Draaiing arm bovenwater fase (pink erin -duim eruit)
  3. S-beweging onder water fase
  4. Versnelde S-beweging onder water
  5. Tellen van aantal slagen bij passeren finishlijn/vlaggen (5 meter voor de kant)

Vlinderslag:

  1. Regelmatig armritme met zelfgekozen ademhalingsritme.

Overige vaardigheden

Deze vaardigheden gelden voor alle drie de zwemvaardigheidsdiploma’s:

  • Rechtstandige sprong met voeten bodem aantikken
  • Hurksprong hoofd boven water houden
  • Startduik niet dieper dan 1 meter onder water
  • Hoekduik zonder zwembeweging bodem aantikken
  • Boogduik bodem aantikken
  • Koprol geen draaiing om lengteas
  • Salto eigen uitvoering
  • Watertrappen gelijktijdig en ongelijktijdig
  • Samengestelde rugslag drijfmomenten (handenhoog-handenlaag)